VOORAF



Tja, hoe schrijf je over foto’s…

Ten eerste: in je moerstaal, want er komt bij het beschouwen heel wat los waar je in je eigen taal nauwelijks woorden voor vindt, laat staan in een andere. AI vertaalt het wel in het Engels (Bij onbegrip grijp ik in.)

Ten tweede: als je beweert dat foto’s spreken, doet me dat altijd denken aan W.F. Hermans, die - geestig als altijd - op het vaak gebezigde ‘een teken des tijds’ reageerde met: ‘Kan de tijd tekens geven?’ Hij fotografeerde trouwens ook, en niet onverdienstelijk, zoals welwillende kenners vast wel eens beweerd hebben.

Dus, met Hermans, kunnen foto’s spreken? Beter is het misschien te zeggen: foto’s spreken van hun tijd, hun oorsprong, hun techniek, hun maker/maakster, hun context, hun ontvangst soms. Maar als in een stomme film: je ziet beelden van mensen, voertuigen, straten, maar niets praat, niets geeft geluid, niets ruikt. En het ergste nog: alles staat stil! Een vertwijfelde, hopeloze situatie! De wanhoop spat er vanaf! Maar dat is mooi; dat geeft me de tijd om er lustig op los te associëren... Ik wil al dat stilstaande weer in beweging zetten, en dan vooral via mijn eigen subjectieve indrukken. 

Ik laat me ontroeren, en daarover spreek ik. En graag laat ik me afleiden en begeef ik me op zijpaden. Ik heb de tijd. 

Kunst of geen kunst is nooit de vraag. De (aan)sprekende foto: bestaat die? Kan een foto spreken? Jawel, meneer Hermans, hij doet je wat, hij is raak. We gaan terugpraten. Een ‘sprekend’ portret: het lijkt. Maar op wie... Niet op die andere heer of dame, die je niks doen. Die zeggen ons niks, dus daar praten we niet tegen.

Dus mijn praten over foto’s (van amateurs en professionals gelijkelijk) is eigenlijk praten naar aanleiding van of tegen foto’s.

En de grens tussen amateurisme, wetenschap, commercie, journalistiek en autonome kunst, waar loopt die in de fotografie? (De kreet But! Is it art?!! geeft (in cartoons) altijd leuk de vertwijfeling van sommigen weer...) Dr d’Auverquerque houdt zich doorgaans op de vlakte in dit soort kwesties. Ook is hij maar beperkt thuis in fotografische technieken; in uiterste nood doet hij wel een beroep op de betreffend handboeken, goed voor de datering bijvoorbeeld. Maar het boeit hem weinig. ’t Is het beeld dat hem boeit.

Het woord is aan de foto’s.

***

Well, how do you write about photographs…

First: in your native language, because when you look at them, all sorts of things come to mind that you’d struggle to put into words even in your own tongue, let alone another. AI can translate it into English for you (I’ll step in if things get lost in translation).

Second: whenever someone claims that photographs speak, it always reminds me of Dutch author W.F. Hermans, who — with his usual sharp wit — responded to the often-used phrase “a sign of the times” with: “Can time give signs?” He was a photographer himself, and by all accounts, not without merits —as kind critics might have said.

So, with Hermans in mind: can photographs speak? Maybe it’s better to say: photographs speak of their time, their origin, their technique, their maker, their context, sometimes even their reception. But like a silent film: you see people, vehicles, streets, yet nothing speaks, nothing makes a sound, nothing smells. And worst of all: everything is frozen still! A desperate, hopeless situation! The despair leaps out at you! But that’s beautiful; it gives me time to merrily free-associate… I want to set all that stillness in motion again, especially through my own subjective impressions.

I let myself be moved, and then I speak about it. And I gladly let myself be distracted, wandering down side paths. I have time, plenty of it…

The question of whether it’s art or not never arises. The speaking photograph: does it exist? Can a photograph speak? Yes, Mr. Hermans, it does something to you, it hits the mark. We’ll talk back. A “speaking” portrait: a striking resemblance. However, some gentleman or lady wont appeal to us. They say nothing to us, so we don’t talk back.

So my talking about photographs (by amateurs and professionals alike) is really talking prompted by or to photographs.

And where does the line lie in photography between amateurism, science, commerce, journalism, and autonomous art? (The cry “But is it art?!” — in cartoons — always delightfully captures the bewilderment of some…) Dr. d’Auverquerque usually stays neutral on such matters. He’s also only vaguely familiar with photographic techniques; in dire need, he might consult a manual—useful for dating a photo, for example. But it doesn’t interest him much. It’s the image that fascinates him.

The floor is yours, photographs.

KAN NIET MEER





Klik op de fotos om te vergroten = Click images to enlarge

Bij het zien van deze foto’s is mijn eerste gedachte: dit kan echt niet meer. Taferelen uit de jaren 1940, ’50, wie zal het zeggen...  Er werd nog met paarden gewerkt. ’t Zijn eenvoudige afdrukken van 6x9 negatieven. In een familie-album beland, want ja, het bedrijf in vol bedrijf hoort er bij; Pa staat erop, en heel op de achtergrond Opa met z’n sigaretje... Ja, die tweede gast is je Oom Henk, die kwam ook altijd helpen als er gespoten moest worden. Heb jij die foto’s gemaakt, Ma? Ben je gek, ik weet niet meer wie, ik keek wel uit, je kreeg die DDT of wat het was zó in je gezicht als je niet uitkeek. Of als ze grapjes wilden maken, je kwam niet op tijd weg, hoor... Jij ook nog wat, Bep? grijnsden ze dan...

Gelukkig hebben we tegenwoordig biologische fruittelers (appels en peren) als William Pouw uit Schalkwijk (gemeente Houten). In het Ekoplaza magazine Lekker Weten (herfst 2024) vertelt hij hoe zijn vader vroeger hielp bij een kersenboomgaard in de buurt waar flink met gif werd gespoten. William hoorde zo de verhalen waar Vader mee thuiskwam. Dat de regenwormen omhoogkropen om op het gras dood te gaan. Dat de mensen die achter de spuitmachine liepen het benauwd kregen en dat hun ogen prikten. Pouw: Mijn vader realiseerde zich toen al: moeten wij dan dat fruit eten?

***

When I see these photos, my first thought is: this really can’t be right anymore. Scenes from the 1940s or ’50s — who knows? They were still working with horses back then. These are simple prints from 6x9 negatives. They ended up in a family album, of course, because the business in full swing was part of the story — Dad’s in the picture, and way in the background, there’s Grandpa with his cigarette... Oh, that second guy? That’s your Uncle Henk. He always came to help when they had to spray. Did you take these photos, Mom? Are you crazy? I don’t even remember who did. You had to keep your distance, or you’d get that DDT — or whatever it was — right in your face. And if they were fooling around, you wouldn’t get away in time, you know... "Want some too, Bep?" they’d grin and say…

Thankfully, today we have organic fruit growers like William Pouw from Schalkwijk (in the municipality of Houten). In the Ekoplaza magazine Lekker Weten (Autumn 2024), he shares how his father used to help at a nearby cherry orchard where they sprayed heavily with pesticides. William grew up hearing the stories his father brought home — how earthworms would crawl to the surface to die on the grass, how the people walking behind the sprayer would struggle to breathe and their eyes would sting. Pouw says: "My father realized even then: are we supposed to eat that fruit?"


LA DAUPHINE

Het grappige van deze foto is dat de jongen vooraan de show steelt, en niet het glanzende nieuwe model van Renault, de elegante opvolger van de blokkendozerige Renault4. De auto is pontificaal dicht bij het strand geplaatst, op een soort promenade langs een hotelachtig gebouw, en, zoals een dauphine toekomt, op een verhoging. Zo'n verhoging voorkomt mooi dat er door nieuwsgierige zomergasten aan het voertuig gemorreld wordt. De auto opgevat en gepresenteerd als glanzend kunstwerk, objet d’art van klasse... Begerenswaardig - en met de toenemende welvaart niet langer onbereikbaar...


De jongen ziet eruit alsof hij niet erg geïnteresseerd is in auto’s maar meer zijn gedachten heeft bij de stok of steel die hij in z’n handen houdt. Is er een schepje vanaf gevallen? Of is het zomaar een stok. Ook lijkt hij in een poserende houding te zijn gedirigeerd door de fotograaf (ik vermoed zijn moeder; een strandfotograaf zal zijn negatieven uiteindelijk weggooien)... Mooi in het midden, goed hoor, hij vindt het allemaal best... Hij heeft ook de ijsverkoper al zien staan natuurlijk, de ijssalon kan niet ver zijn...

De toeschouwers in badjas hebben hoog vanuit hun raam alles gezien. Hebben alles zien bewegen, langs zien komen. Ons rest de rust van de still.

De Renault Dauphine werd uitgebracht in maart 1956, waarmee deze foto zo ongeveer gedateerd is. 
Digitale omzetting in positief van oorspronkelijk 6x6-negatief uit Frankrijk.


***

The funny thing about this photo is that the boy in the foreground steals the show, not the gleaming new Renault model — the elegant successor to the boxy Renault 4. The car is placed ceremoniously close to the beach, on a kind of promenade beside a hotel-like building, and, as befits a Dauphine, on a raised platform. Such a platform neatly prevents curious summer guests from tampering with the vehicle. The car is conceived and presented as a gleaming work of art, a objet d’art of class... Desirable — and with rising prosperity, no longer unattainable.

The boy, however, looks as if he isn’t particularly interested in cars but is more preoccupied with the stick or rod he’s holding in his hands. Did a shovel fall off it? Or is it just a stick? He also seems to have been directed into a posing stance by the photographer (I suspect his mother; a beach photographer would eventually throw away their negatives). Centered nicely, well done—he doesn’t mind it all. Of course, he’s also spotted the ice cream vendor; the ice cream parlor can’t be far...

The onlookers in bathrobes have seen everything from high up in their window. They’ve watched it all move by, pass through. All that remains for us is the quiet 'stillThe funny thing about this photo is that the boy in the foreground steals the show, not the gleaming new Renault model—the elegant successor to the boxy Renault 4. The car is placed ceremoniously close to the beach, on a kind of promenade beside a hotel-like building, and, as befits a Dauphine, on a raised platform. Such a platform neatly prevents curious summer guests from tampering with the vehicle. The car is conceived and presented as a gleaming work of art, a objet d’art of class... Desirable—and with rising prosperity, no longer unattainable.

The boy, however, looks as if he isn’t particularly interested in cars but is more preoccupied with the stick or rod he’s holding in his hands. Did a shovel fall off it? Or is it just a stick? He also seems to have been directed into a posing stance by the photographer (I suspect his mother; a beach photographer would eventually throw away their negatives). Centered nicely, well done—he doesn’t mind it all. Of course, he’s also spotted the ice cream vendor; the ice cream parlor can’t be far...

The onlookers in bathrobes have seen everything from high up in their window. They’ve watched it all move by, pass through. All that remains for us is the quiet still.

The Renault Dauphine was released in March 1956, which roughly dates this photo.
Digital conversion to positive from an original 6x6 negative from France.

DIE PIJP PAST ONS ALLEMAAL

Die bij het kruisje ben ik, die rechts van mij, voor jou links, is m’n vader, hij heeft precies zo’n pijp als ik. Die andere is m’n broer maar die doet alsof, in zijn hand houdt hij een sigaret verstopt. Geen pijproker. Hij houdt z’n mond echt niet goed hoor, het ziet eruit alsof hij zuigt, maar dat klopt niet, veel te hard, zo doen wij pijprokers dat niet... Wat de buren ervan vinden achter de ligusterheg? Als ze klachten hebben gaan ze maar ergens anders zitten... Zelf altijd tuinafval verbranden in oude olievaten - hou dán je deuren en ramen maar dicht...

*

Jong geleerd is oud gedaan, en ik ga later bij de marine, al moest ik m’n matrozenmuts afdoen voor de foto, ik weet ook niet waarom, maar die staat er lekker toch nog half op... Wel een beetje eng, zo hoog op de tafel, maar ach, voor de keizer doe je alles... 

*


Staat goed toch, zo’n pijp? Daar kan je niet omheen, om zo’n pijp en profil, monsieur Hulot maakte er later furore mee... De hemdsmouwen worden opgehouden door... ja, mouwophouders! Rotting erbij, uit de kluiten gewassen pet, vlinderdasje, brutaal gestreept overhemd, lichte schoenen, donkere bril... Je werd al gauw voor een dandy uitgemaakt. Of kwibus. Trots op de foto gegaan.  


Foto 1 en 3: Anonieme fotografen, Denemarken, ongedateerd (jaren 1920), uit familie-albums.
Foto 2: Carte-de-visite door J.C. Schaarwachter, Berlijn, na 1889. 

’t IS WEER VOORBIJ DIE MOOIE ZOMER


Ook al is de foto afgedrukt op stevig Merkur fotopapir (ansichtkaartenkwaliteit met adresstippellijntjesopdruk), hij krult aan de randen nog van zomervreugde en danst losjes op het fotoalbumblad... Maar stevig staan de voeten van het polkadotmeisje en al haar vrienden en vriendinnen in het zand geplant voor een foto door de fotograaf onder het stel, die weer eens een originele opstelling bedacht heeft, als gold het een aflevering van het ochtendgymnastiekprogramma Denemarken in beweging; de benen iets uit elkaar, voeten naar voren... Zijn we d’r klaar voor? Krijg nou wat, draagt ze hoge hakken? Klik! 
 
klik voor cox


***

Even though the photo is printed on sturdy Merkur fotopapir (postcard quality with address dotted lines print), it still curls of pure summer joy at the edges and dances loosely on the photo album sheet... But firmly the feet of the polkadot girl and all her friends are planted in the sand for a photo by the photographer among the gang, who has once again come up with an original setup, as if it were an episode of the morning gym program Denmark on the move; the legs slightly apart, feet forward... Are we ready for it? Holy mackerel, is she wearing high heels? Click!

Vertaling gebaseerd op Lingvanex; behoorlijk goed maar een aantal ernstige misinterpretaties zijn gecorrigeerd door de auteur.

DE JONGENS DIE WE WAREN

Nostalgie, wat u zegt. U klinkt verwijtend, maar nostalgie is de enige manier om iets te ervaren van de tijd in zijn volledige omvang. - Benno Barnard

Wat niet terugkeert blijft. - John B. Vorenkamp 


De jongens die we waren, die komen nooit terug. Dat is een ding dat zeker is. Zou je zeggen. Maar is dat wel zo? Is er niet eerder sprake van een continuüm, dragen we ze niet altijd met ons mee? Dan is het een goed ding naar ze terug te kijken, om dat eens scherper te krijgen... Via oude foto’s (meestal van anderen) lukt dat soms verrassend goed.


In deze bokkige jongen bijvoorbeeld, herkende ik mezelf onmiddellijk. In zijn favoriete hangstoel. Gestoord in zijn mijmeringen... Deze jongen trekt zich graag terug, om te dagdromen. Zijn moeder overvalt hem met haar agfa-boxje, dat ze mee naar buiten neemt zodra het eerste lentezonnetje de aarde komt verwarmen, op zoek naar ‘een motief voor haar foto’... Ze heeft ontwikkelen en afdrukken geleerd in de doka van een collega van haar vader, namelijk diens voorganger als predikant in het dorpje S. in Friesland; ze reisde er helemaal voor naar de pastorie in het verre, nog minusculere Stichtse dorpje B. (Wat speelt er zich niet allemaal af in zo’n donkere kamer; mijn moeder had altijd veel aanbidders…) 


Ze was ook een meester in het inkleuren van foto’s, met potloden uit een uitgebreide cassette van Faber-Castell… Beatrix als hummel te paard bijvoorbeeld, op een foto door Prins Bernhard, ‘welwillend afgestaan uitsluitend ten behoeve van het Algemeen Steuncomité 1939.’ Of het inkleuren ook in 1939 plaatsvond (ze was toen 21), blijft ongewis. Maar zeker is dat ze het in 1952 nog steeds deed, getuige een foto die ik vanwege het privékarakter (ik sta er zelf op) hier niet laat zien. Let op de eend aan tafel - om te gillen (zou mijn moeder zeggen). Maar dit alles terzijde. Zelfs mijn verzamelzucht van oude foto’s heeft hier waarschijnlijk allemaal niks mee te maken.


De jongens die we waren (leeftijd 6-12) hadden op de lagere school een beste vriend, met wie we na schooltijd speelden, bij wie we dagelijks over de vloer kwamen, waar we zagen en roken dat er steevast in het keukentje gewokt werd door de moeder. Pas veel later kwam ik erachter dat de wolkig geëmailleerde wok een wadjang heette, zij was Indisch, de vader een Engelsman uit Newcastle, waar mijn vriendje geboren was, vooral dat laatste een feit om nooit te vergeten. De vader bezat een Citroën traction-avant waarin ik weleens heb mogen meerijden (er werd meestentijds aan gesleuteld). Hij noemde me oeWimmy, met een Engelse w.

We stonden bekend als het koppel Leslie en Wim. Zet u ze maar naast elkaar, zei mijn moeder op de eerste schooldag tegen de onderwijzeres, ze kennen elkaar van de kleuterschool (i.c. de Fröbelschool der Evangelische Broedergemeente, waar ik het in al zijn eenvoud ontroerende lied ‘De Heer is mijn herder’ heb mogen leren zingen. Het zou kunnen dat de wondermooie melodieën van de Deense liederenschat mij later daarom zo raakten.)


Maar het meest blijft bij: de aangename ernst van het spel, de dingen die we bedachten en uitvoerden. Ernst of spel, niks zei het ons… Nog altijd voel ik bij bovenstaande foto, nota bene uit 1927, ver voor mijn tijd, het samenspannen, het improviseren, het ‘vergeten’ van de tijd (die bestond sowieso niet). Het bedenken, uitvoeren en evalueren van ‘projecten’ verliep simultaan, mislukkingen gingen gepaard met een vrolijke lach, bij beiden; ik luchtig (‘Wat een onzin ook…’), hij hernam zich sneller en was alweer serieus op zoek naar een oplossing. Wat mij dan weer lichtelijk irriteerde…


En waar blijven de meisjes… Geen enkele rol speelden ze… Tot Leslie’s Australische nichtje overkwam en ik bevangen werd door een vaag gevoel van… ja, waarvan, daar vind ik nu pas een naam voor, toen was het onbestemd, maar het was pure jaloezie op de vertrouwelijkheid tussen die twee. Ja, kunst! Hij sprak Engels met haar; flink buitengesloten voelde ik me. En ik vond haar nog wel zo ontzettend leuk. Bedwelmend lief, nog ruik ik haar ravenzwarte haar… Bij wijze van spreken dan; ik herínner mij dat ik haar rook. Maar die geur komt nooit terug.


***

The boys we were are never coming back. That's one thing for sure. You'd say. But is that really the case? Isn't it rather a continuum, don't we always carry them with us? Then it's a good thing to look back at them to get that sharper... This sometimes works surprisingly well via old photos (usually from others).

Vert. gebaseerd op Lingvanex op Vivaldi-servers, gecorrigeerd door auteur. 

Alle foto’s in dit verhaal, de foto van prinses Beatrix uitgezonderd, stammen min of meer toevallig uit Deense familiealbums. 

EEN VISSERMANSVRIEND

Vissers of een vissersfamilie (vader en zoons?) in de haven van het voormalige eiland Marken, aan de voormalige Zuiderzee. Prentbriefkaart, uiterlijk 1905, uitgegeven door Jos. Nuss & Co, Haarlem. Bijzonder mooie afdruk, vraag me niet naar de techniek, op half-mat papier, op de achterkant staat nog de aanduiding Bromo Novum.

Gewillig poserende groep, uit het leven gegrepen, in tegenstelling tot veel geënsceneerde kaarten vol pittoreske vissersdorpenromantiek die we ook veel zien. Als kattenvriend viel ik ook voor deze foto vanwege de kat. Die werd natuurlijk altijd verwend met vis en visafval, maar hij lijkt ook een speciale band te hebben met een van de jongens. Kat is blij dat zijn baasje weer behouden weerom is. Heel erg op zijn gemak, lijkt die kat; hij zou eigenlijk, net als Vader, wel een pijpje op willen steken. De jongen met de kat heeft nog gauw even zijn mooiste paar klompen opgehaald…

Opmerkelijk: de jongen in het midden draagt als enige geen klompen en lijkt meer op z'n zondags gekleed; zeker de schoenen zijn niet geschikt voor een glibberig scheepsdek. Hij zit in hemdsmouwen; een afgedragen vissermans-werkjasje hoort hoe dan ook niet bij de zondagsdracht… Wat voor apparaat houdt hij vast?

Fishermen and/or fisherman’s family in the harbour of the (former) island Marken, on the Dutch former Zuiderzee (now lake IJsselmeer). 1905 or earlier. Note that one of them is in sunday’s outfit…