DE JONGENS DIE WE WAREN / The boys we were

Nostalgie, wat u zegt. U klinkt verwijtend, maar nostalgie is de enige manier om iets te ervaren van de tijd in zijn volledige omvang. - Benno Barnard

Wat niet terugkeert blijft. - John B. Vorenkamp 


De jongens die we waren, die komen nooit terug. Dat is een ding dat zeker is. Zou je zeggen. Maar is dat wel zo? Is er niet eerder sprake van een continuüm, dragen we ze niet altijd met ons mee? Dan is het een goed ding naar ze terug te kijken, om dat eens scherper te krijgen... Via oude foto’s (meestal van anderen) lukt dat soms verrassend goed.

The boys we were are never coming back. That's one thing for sure. Youd say. But is that really the case? Isnt it rather a continuum, don't we always carry them with us? Then it's a good thing to look back at them to get that sharper... This sometimes works surprisingly well via old photos (usually from others).


In deze bokkige jongen bijvoorbeeld, herkende ik mezelf onmiddellijk. In zijn favoriete hangstoel. Gestoord in zijn mijmeringen... Deze jongen trekt zich graag terug, om te dagdromen. Zijn moeder overvalt hem met haar agfa-boxje, dat ze mee naar buiten neemt zodra het eerste lentezonnetje de aarde komt verwarmen, op zoek naar ‘een motief voor haar foto’... Ze heeft ontwikkelen en afdrukken geleerd in de doka van een collega van haar vader, namelijk diens voorganger als predikant in het dorpje S. in Friesland; ze reisde er helemaal voor naar de pastorie in het verre, nog minusculere Stichtse dorpje B. (Wat speelt er zich niet allemaal af in zo’n donkere kamer; mijn moeder had altijd veel aanbidders. Maar de mortuis nil nisi bene...

In this lanky boy, for example, I immediately recognized myself. In his favorite hanging chair. Disturbed in his daydreams... This boy likes to withdraw, to let his mind wander. His mother surprises him with her Agfa box camera, which she takes outside as soon as the first spring sun warms the earth, in search of “a motif for her photo”... She learned to develop and print in the darkroom of a colleague of her father’s—namely, his predecessor as the minister in the small Frisian village of S.; she even traveled all the way to the parsonage in the distant, even tinier Utrecht village of B. (What doesn’t go on in such a darkroom; my mother always had many admirers. But de mortuis nil nisi bene...)


Ze was ook een meester in het inkleuren van foto’s, met potloden uit een uitgebreide cassette van Faber-Castell… Beatrix als hummel te paard bijvoorbeeld, op een foto door Prins Bernhard, ‘welwillend afgestaan uitsluitend ten behoeve van het Algemeen Steuncomité 1939.’ Of het inkleuren ook in 1939 plaatsvond (ze was toen 21), blijft ongewis. Maar zeker is dat ze het in 1952 nog steeds deed, getuige een foto die ik vanwege het privékarakter hier niet laat zien. Let op de eend aan tafel - om te gíllen (zou mijn moeder zeggen). Maar dit alles terzijde. Zelfs mijn verzamelzucht van oude foto’s heeft hier waarschijnlijk allemaal niks mee te maken.

She was also a master at hand-coloring photographs, using pencils from an extensive Faber-Castell set... For example, Beatrix as a toddler on horseback, in a photo taken by Prince Bernhard, “kindly provided exclusively for the benefit of the General Support Committee 1939.” Whether the coloring took place in 1939 (she was 21 at the time) remains uncertain. But it’s certain that she was still doing it in 1952, as evidenced by a photo I won’t show here due to its private nature. Note the duck at the table—hilarious, my mother would say. But all of this is beside the point. Even my own passion for collecting old photos probably has nothing to do with any of this.


De jongens die we waren (leeftijd 6-12) hadden op de lagere school een beste vriend, met wie we na schooltijd speelden, bij wie we dagelijks over de vloer kwamen, waar we zagen en roken dat er steevast in het keukentje gewokt werd door de moeder. Pas veel later kwam ik erachter dat de wolkig geëmailleerde wok een wadjang heette, zij was Indisch, de vader een Engelsman uit Newcastle, waar mijn vriendje geboren was, vooral dat laatste een feit om nooit te vergeten. De vader bezat een Citroën traction-avant waarin ik weleens heb mogen meerijden (er werd meestentijds aan gesleuteld). Hij noemde me oeWimmy, met een Engelse w.

The boys we were (age 6–12) had a best friend at primary school—someone we played with after school, someone whose home we visited daily, where we saw and smelled the constant sizzling in the tiny kitchen as his mother cooked. Only much later did I learn that the cloudy enameled wok was called a wadjang; she was from the Dutch East Indies, his father an Englishman from Newcastle, where my friend had been born—especially the latter a fact simply impossible to forget. His father owned a Citroën Traction Avant, in which I was occasionally allowed to ride (though it was usually being tinkered with). He called me "ooWimmy," with an English w.

We stonden bekend als het koppel Leslie en Wim. Zet u ze maar naast elkaar, zei mijn moeder op de eerste schooldag tegen de onderwijzeres, ze kennen elkaar van de kleuterschool (i.c. de Fröbelschool der Evangelische Broedergemeente, waar ik het in al zijn eenvoud ontroerende lied ‘De Heer is mijn herder’ heb mogen leren zingen. Het zou kunnen dat de wondermooie melodieën van de Deense liederenschat mij later daarom zo raakten.)

We were known as the pair Leslie and Wim. "Just put them next to each other,” my mother told the teacher on the first day of school, "they know each other from kindergarten" (i.c. the Fröbel School of the Moravian Brethren, where I had the simple yet deeply moving opportunity to learn to sing the hymn The Lord Is My Shepherd. It might be why the exquisitely beautiful melodies of the Danish song treasury touched me so profoundly later in life).



Maar het meest blijft bij: de aangename ernst van het spel, de dingen die we bedachten en uitvoerden. Ernst of spel, niks zei het ons… Nog altijd voel ik bij bovenstaande foto, nota bene uit 1927, ver voor mijn tijd, het samenspannen, het improviseren, het ‘vergeten’ van de tijd (die bestond sowieso niet). Het bedenken, uitvoeren en evalueren van ‘projecten’ verliep simultaan, mislukkingen gingen gepaard met een vrolijke lach, bij beiden; ik luchtig (‘Wat een onzin ook…’), hij hernam zich sneller en was alweer serieus op zoek naar een oplossing. Wat mij dan weer lichtelijk irriteerde…

But what stays with me most is the pleasant seriousness of our playing, the things we dreamed up and carried out. Seriousness or play—it never mattered to us. Even now, when I look at the photo above—from 1927, long before my time—I still feel the collaboration, the improvisation, the ‘forgetting’ of time (which didn’t really exist anyway). The conceiving, executing, and evaluating of ‘projects’ all happened simultaneously. Failures were met with a cheerful laugh from both of us: I’d dismiss it lightly (What nonsense anyway...), while he’d quickly regain his composure and seriously search for a solution. Which, in turn, would mildly irritate me...


En waar blijven de meisjes… Geen enkele rol speelden ze… Tot Leslie’s Australische nichtje overkwam en ik bevangen werd door een vaag gevoel van… ja, waarvan, daar vind ik nu pas een naam voor, toen was het onbestemd, maar het was pure jaloezie op de vertrouwelijkheid tussen die twee. Ja, kunst! Hij sprak Engels met haar; flink buitengesloten voelde ik me. En ik vond haar nog wel zo ontzettend leuk. Bedwelmend lief, nog ruik ik haar ravenzwarte haar… Bij wijze van spreken dan; ik herínner mij dat ik haar rook. Maar die geur komt nooit terug.

And where were the girls...? They played no part at all... Until Leslie’s Australian cousin arrived, and I was overcome by a vague feeling of... yes, only now do I find the word for it—back then, it was undefined, but it was pure jealousy over the intimacy between the two of them. No wonder! He spoke English with her; I felt thoroughly excluded. And yet, I found her incredibly charming. Enchantingly sweet—I can still smell her raven-black hair... In a manner of speaking, that is; I remember smelling it. But that scent will never return.


Nog een Hermann, 8 Jahre alt. Ergens in Duitsland, 1935. Ik herkende Hermann, ik had het kunnen zijn, in die korte broek, in die volgens ouderwetse inzichten aangelegde tuin, gewillig maar wezenloos poserend, de gedachte 'Waar ben ik eigenlijk beland' is niet ver meer...

Another Hermann, 8 years old. Somewhere in Germany, 1935. I recognized Hermann—I could have been him, in those short pants, in that garden laid out according to old-fashioned principles, posing willingly but absentmindedly, the thought Where on earth have I ended up? not far away...

EEN VISSERMANSVRIEND / A fisherman's friend

Vissers of een vissersfamilie (vader en zoons?) in de haven van het voormalige eiland Marken, aan de voormalige Zuiderzee. Prentbriefkaart, uiterlijk 1905, uitgegeven door Jos. Nuss & Co, Haarlem. Bijzonder mooie afdruk, vraag me niet naar de techniek, op half-mat papier, op de achterkant staat nog de aanduiding Bromo Novum.

Gewillig poserende groep, uit het leven gegrepen, in tegenstelling tot veel geënsceneerde kaarten vol pittoreske vissersdorpenromantiek die we ook veel zien. Als kattenvriend viel ik ook voor deze foto vanwege de kat. Die werd natuurlijk altijd verwend met vis en visafval, maar hij lijkt ook een speciale band te hebben met een van de jongens. Kat is blij dat zijn baasje weer behouden weerom is. Heel erg op zijn gemak, lijkt die kat; hij zou eigenlijk, net als Vader, wel een pijpje op willen steken. De jongen met de kat heeft nog gauw even zijn mooiste paar klompen opgehaald…

Opmerkelijk: de jongen in het midden draagt als enige geen klompen en lijkt meer op z'n zondags gekleed; zeker de schoenen zijn niet geschikt voor een glibberig scheepsdek. Hij zit in hemdsmouwen; een afgedragen vissermans-werkjasje hoort hoe dan ook niet bij de zondagsdracht… Wat voor apparaat houdt hij vast?

NB: Later kwam ik in het bezit van een afdruk van deze foto met op de achterkant de namen van de afgebeelde personen.. 

Fishermen or a fisherman's family (father and sons?) in the harbor of the former island of Marken, on the former Zuiderzee. Postcard, dated no later than 1905, published by Jos. Nuss & Co, Haarlem. A particularly beautiful print—don’t ask me about the technique—on semi-matte paper, with the designation Bromo Novum still visible on the back.

A willing group posing naturally, captured from real life, unlike many staged cards filled with picturesque fishing village romanticism that we often see. As a cat lover, I was also drawn to this photo because of the cat. Of course, he was always spoiled with fish and scraps, but he seems to have a special bond with one of the boys. The cat is happy that his little master has returned safely. He looks very much at ease—so much so that, like Father, he might even fancy lighting up a pipe. The boy with the cat quickly fetched his finest pair of clogs…

Notably, the boy in the middle is the only one not wearing clogs and appears to be dressed in his Sunday best; his shoes certainly aren’t suitable for a slippery ship’s deck. He’s in his shirtsleeves—though a worn fisherman’s work jacket wouldn’t exactly fit Sunday attire… What kind of device is he holding?

NB: Later, I came into possession of a print of this photo with the names of the depicted individuals written on the back.

MEISJE OP STOEL IN ZONNIGE KAMER MET LUIKEN


Wat is er zo bijzonder aan deze foto? Hij wijkt in meerdere opzichten af van wat de professionele fotografen in deze tijd (ruwweg derde kwart 19e, begin 20e eeuw) deden. Ten eerste valt op dat de afdruk niet zodanig is bijgesneden dat hij past binnen de voorgedrukte rode omlijsting op het fotokartonnetje (maat: carte de visite). Ten tweede is er sprake van een rommelige achtergrond; een fotostudio werkte met geschilderde achtergronden op doek (de buitenlucht of deftige interieurs voorstellend), en strak opgestelde rekwisieten (stoelen, fauteuils, tafeltjes, étagères, tuinbankjes). Men werd geposteerd, meestal frontaal.

Hier niets van dit alles; de fotograaf is een goede bekende met fotografie als (dure) hobby, en de huisgenote (of echtgenote, dochter, nicht, kennis) is voor even zijn/haar gewillige model. De fotograaf is binnenshuis gaan fotograferen met het beschikbare licht van de hoge ramen, dat gedempt wordt door de luiken. Zijn model voor even, zei ik, maar een foto maken was in die dagen een omslachtige affaire, het nam wel eventjes tijd. 

Te laat zag hij dat de boel wat scheef lijkt te staan, iets wat nu juist voor mij weer bijdraagt aan de levensechtheid van dit tafereel... Ook de nonchalant vallende gordijnen en de ruimte als geheel spelen hun rol in de levendigheid en de intimiteit van het geheel. Het licht speelt, is beweeglijk...

Bespeuren we een zekere tegenzin bij het model? Ongeduld? Ze zit er wat dwars bij... Maar ze houdt lief vol... Voor haar vriend des huizes, neef, vader, buurman, verloofde. 

Goeiemiddag, wat een zalige, spannende foto vergeleken met al die gesteven portretten door de commerciële portraitfotografen. De meeste dan. Er zijn er natuurlijk ook die deze twee opvattingen combineerden. Niet veel, maar ze waren er.

***

What is so special about this photo? It deviates in several ways from the contemporary professional photographers (roughly third quarter 19th, early 20th century). First, it is noticeable that the print is not cropped to fit within the pre-printed red frame on the photo cardboard card (size: carte de visite). Secondly, there is a messy background; a photo studio would work with painted backgrounds on canvas (representing the outdoors or genteel interiors), and rigidly arranged props (chairs, armchairs, tables, étagères, garden benches). The clients were posted.

None of this here; the photographer is a good acquaintance, with photography as a (expensive) hobby, and the housemate (or wife, daughter, niece, acquaintance) is his/her willing model for a while. The photographer started photographing indoors with the available light from the high windows, which is muffled by the shutters. His model for a while, I said, but taking a picture was a cumbersome affair in those days, it took a while.

Too late he saw that things seem to be a bit skewed, something that in my opinion contributes to the vividness of this scene... The nonchalantly falling curtains and the space as a whole also play their role in the vibrancy and intimacy of the whole. The light plays, is agile…

Do we detect a certain reluctance on the part of the model? Impatience? She looks a bit unwilling... But she persists sweetly... For her friend of the house, cousin, uncle, father, neighbor, fiancé.

My goodness, what a blissful, exciting photo compared to all those starched portraits by the commercial portrait photographers. By most of them. There are of course also those who combined these two views. Not too many, but still.

Translation based on Lingvanex.

EMIL VAN DE HAZELHOEVE

Wat zeg je me nou, heb jij een foto van de hele familie op de Hazelhoeve? (Emil werd in de Nederlandse boeken Michiel van de Hazelhoeve genoemd maar bij Astrid Lindgren heet hij Emil i Lönneberga, en in de Nederlands-gesproken films is men ook teruggekeerd naar Emil. Maar onze groepsfoto is in elk geval uit die tijd en sociale omgeving.)


Een boerenfamilie als op de foto uit Zweden, periode 1900-1920 schat ik zo, omvat in die tijd niet alleen ouders en kinderen maar ook grootouders, meid(en) en knecht(en), en dan zijn er in de oogsttijd ook nog extra dagloners ingehuurd; we zien ze met hun werktuigen, een staat er zelfs zogenaamd zijn zeis te wetten… Die eindeloos lange houten tafels, zoals je ze ook ziet in de En eeuwig zingen de bossen-films (Het geslacht Bjørndal), die waren er niet voor niks. Allemaal meeëten… Zware tijden, drukke tijden, gezellige tijden…

GOLDEN HOURS


Weldra is het 93 jaar geleden dat Agnes een foto-album cadeau kreeg, voor haar verjaardag of een ander heuglijk feit. Ze plakte er fluks (mét fotohoekjes) een zelfverzekerd portret van zichzelf in. Dubbel zelfverzekerd, want haar schaduw staat er ook op…

EEN RUSTMOMENTJE


A moment of rest klinkt me eigenlijk beter in de oren bij deze tijdloze, ongedateerde Duitse amateurfoto. Frühlingsruhe. We identificeren ons graag met de rustende wandelaar onder de net uitgelopen boom… Zijn donkere silhouet geeft geen details prijs, dat maakt hem universeel… Ook de egaal-grijze lucht straalt niets schokkends uit… niets dan rust en stilte. Helemaal mijn weer.

OVER FOTOHOEKJES GESPROKEN…


Een willekeurig voorbeeld… Aangetroffen in de erfenis van een fervente amateurfotograaf, misschien jaren 1920. Gegomd, dus even bevochtigen en plakken maar. Fotohoekjes in zelfklevende versie zijn tot op de dag van vandaag verkrijgbaar, bijv. bij de HEMA.